De hypocrisie van wijsheid

Bas Burcksen

Lucius Annaeus Seneca wordt in +/- 4 voor Christus geboren in het zuiden van Spanje. Op vijfjarige leeftijd verhuist het gezin opdat hij in Rome opgeleid kan worden, samen met zijn twee broers. De ouders voorzien een carrière in de Romeinse politiek, met als ambitie drie machtige senatoren in de familie. De opleiding rhetorica loopt echter niet zoals bedoeld, wanneer Seneca de filosofie ontdekt. Gefascineerd door de Stoa begint hij een sobere levensstijl aan te nemen. Op den duur gaan de strenge en vegetarische levenswijze ten koste van de tere gezondheid. Hij verblijft enkele jaren in Egypte om weer op krachten te komen. Bij terugkeer in Rome begint het gedonder. Seneca zal zich tot aan de dood in het midden van de politieke slangenkuil bevinden. Terzelfdertijd schrijft hij doodleuk door over het belang van een eenvoudig bestaan. Hoe kan een filosoof verkondigen wat hij zelf niet waarmaakt?


Portret van Seneca, geschilderd door Lucas Vorsterman in 1638

De Stoa

Seneca probeerde zijn hele leven zich te laten leiden door de filosofie van de Stoa. Deze stroming is ontstaan in Griekenland rond 300 voor Christus. De Stoa bestaat uit drie aspecten, de logica, fysica en ethica. De grenzen tussen deze aspecten zijn vaak onduidelijk. De logica is gericht op het redeneren en zijn geldigheid. Omdat deze leer zich amper bezighoudt over moraliteit, zal hieromtrent geen verdere toelichting komen. De fysica houdt zich bezig met de natuur. In het Oude Rome betrof dit vooral het bestuderen van de processen in het universum. De ethica vertelt over het goed en slecht van een menselijk leven. Dit omvat onder meer de normen en waarden van zekere handelingen.

Het stoïcisme beschrijft de scheiding tussen materie en de vormgeving van materie: een passief en actief beginsel. Het passieve beginsel wordt voortgebracht door het actieve beginsel en beide elementen zijn onlosmakelijk verbonden. Het actieve beginsel, Fysis of Natura genaamd, geeft leiding aan alles in het universum. Het is een kracht die altijd de redelijkheid nagaat. Hieruit volgt dat het actieve beginsel gelijkstaat aan de redelijkheid (Ratio of Logos). Alles wat er gebeurt in de wereld, is dus vastgesteld volgens de redelijke wetmatigheden. Er is geen toeval. De Stoa kan op dit gebied ook gezien worden als een religie, omdat de Natura gelijk staat aan een goddelijkheid. Deze goddelijkheid is overal in het passieve beginsel aanwezig. De harde kern van de stoïcijnen is dus in feite pantheïst.

De Natura heeft volgens de Stoa een aspect van materie, bestaande uit vuur en lucht. De spiritus is door het hele universum verspreid en vervoert de Ratio. Deze adem zorgt voor materie en geeft deze vorm. De spiritus verbindt het actieve beginsel met materie in de vorm van een dynamische energie. Dit proces volgt immer de wetten van de redelijkheid. De overtuiging is dus dat alle gebeurtenissen in de natuur plaatsvinden, waarbij toeval onmogelijk is. Een stoïcijn zal dan ook steevast spreken over het noodlot, of Fatum. Wat geschiedt, had immer geschied. Toeval is volgens deze gedachte alleen dat, wat gebeurt buiten ons verstand. De ordelijkheid is onvermijdelijk verbonden met het leven en de natuur.

De ethica is in samenhang met de Stoïcijnse gedachten over het de Natura. De mens heeft van de spiritus een goddelijke vonk ontvangen, waardoor ook wij beschikken over een ratio. Hierdoor is de mens ook onvermijdelijk verbonden met het grotere geheel. De mens moet zich dan ook laten leiden door de Ratio. Door zichzelf te begrijpen, kan iemand de betekenis van het leven vinden en begrijpen hoe het actieve beginsel, de Natura, te werk gaat.

Het Stoïcijnse doel is het bereiken van de gemoedsrust, de apatheia. De apatheia is de toestand van een persoon die alle onbelangrijke zaken in het leven achter zich heeft gelaten. Hij of zij heeft de vaardigheid om alle emoties te onderdrukken en zich niet te laten beïnvloeden door buitenaf. Namelijk, wat geschiedt, had immer geschied. De Stoa gaat uit van een verschil tussen zaken binnen en buiten ons bereik. Binnen ons bereik ligt altijd de gemoedsrust, die gehaald wordt door te denken, te filosoferen, te voelen. Buiten ons bereik ligt het noodlot. De dood, ziekte, onrecht, zijn zaken die zinloos zijn om zich over te bekommeren. Emoties veroorzaakt door zulke gebeurtenissen zijn namelijk gevaarlijk voor de innerlijke ratio. Een persoon in apatheia, een sapiens, laat zich niet verstoren en kijkt altijd naar de redelijkheid. De enige juiste emoties zijn vreugde, doelbewust streven en voorzichtigheid. Deze toestanden begunstigen de gemoedsrust.

Leef volgens de natuur, stelt de Stoa. Deze levensstijl wordt bereikt door immer deugdzaam te handelen. De deugd, of virtus, volgt de wetten van de ratio en zorgt voor een gelukkig leven. Het is dus belangrijk om niet te streven naar geluk, dit komt namelijk vanzelf als de deugd aangehouden wordt. De virtus wordt in de Stoa verdeeld in vier soorten: wijsheid, verantwoordelijkheidsbesef van familie, religie en vaderland, dapperheid en zelfbeheersing. Het bezitten van een van deze deugden, zou noodzakelijk zorgen voor het bezitten van alle deugden. De eeuwige vijand van de virtus is de domheid, het gebrek aan deugdzaamheid. Er is bovendien geen middenweg tussen deugd en domheid. Zelfs iemand die bijna de apatheia bereikt heeft, is simpelweg dom.

De domheid in het leven gaat samen met alle zaken die onbelangrijk zijn, de indifferentia. Deze zaken zijn nutteloos en belemmeren het bereiken van enige gemoedsrust. Iemand zal altijd liever gezond dan ziek zijn, levend dan dood, rijk dan arm, maar uitmaken doet het niet. Een sapiens laat zich niet afleiden door de indifferentia, omdat ze toch onvermijdelijk zijn door het noodlot. Het handelen naar de Ratio is de enige voorbereiding op tegenspoed en zal leiden tot voorspoed.

„Het lot wijst wie meewerkt de weg, maar het sleurt de onwillige mee” – Seneca, Epistulae ad Lucilium


Reconstructie van de Stoa Poikile, waar de filosofie van de Stoa is gesticht

Historische context

Om het verhaal van Seneca te begrijpen, moet het eerst in de historische context van het Romeinse Keizerrijk geplaatst worden. Wanneer Seneca geboren wordt, is de eerste keizer Augustus al meer dan twintig jaar aan de macht. Zijn voorganger, Julius Caesar, sleurde Rome uit vele jaren aan burgeroorlogen en vormde de Republiek om tot een Keizerrijk. Nadat Augustus zijn rivaal Antonius heeft verslagen, leidt hij Rome opnieuw in een periode van rust en vrede. Hij blijft tot zijn dood in 14 na Christus de alleenheerser van het Imperium. In huize Augustus is het echter allesbehalve vredig. Alle beoogde opvolgers van Augustus overlijden, dikwijls op dubieuze wijze. Niet geheel onopzettelijk blijft de zoon van Livia, Tiberius, als enige over. Hij wordt de nieuwe keizer, alhoewel dit geen succesverhaal blijkt. De “tristissimus hominum”, of, u raadt het al, de triestigste aller mensen, is immer argwanend. In het jaar 37 sterft de keizer een natuurlijke dan wel opzettelijke dood. Caligula, de neef van Tiberius, staat al gereed om het stokje over te nemen.

Caligula begint voorspoedig aan zijn termijn als keizer. Hij werd in eerste instantie in afzondering opgevoed door Livia, maar hij was toch beroemd als zoon van de gerespecteerde generaal Germanicus. Door de komaf van Caligula, wordt hij geacht een verademing te zijn voor alle Romeinen. De eerste maanden verlopen voorspoedig, tot hij geestesziek wordt en zijn heerschappij verandert in terreur. “Het monster” maakt zichzelf te schande met acties als het vergoddelijken van zichzelf en het uitroepen van zijn paard als consul, het hoogste ambt in de senaat. Hij zou binnen een jaar de schatkist volledig leegtrekken. Vier jaar later wordt hij vermoord zijn eigen keizerlijke lijfwacht. De senaat past gelijk een ”memoriam damnare” toe, letterlijk vertaald het vervloeken van de nagedachtenis. Hierbij worden alle herinneringen aan een dode weggebonjourd, opdat hij nooit bestaan heeft en de eer van Rome is hersteld.

„Laten ze me maar haten, als ze maar bang zijn” – Caligula

Na de dood van Caligula wordt in de senaat gesproken over het herstellen van de Romeinse Republiek. De keizerlijke lijfwacht loopt gevaar opgeheven te worden en wijst haastig een opvolger aan, Claudius, de oom van Caligula. Lange tijd leek de kans klein dat de kreupele, stotterende verschoppeling ooit de Romeinen zou leiden. Voor zijn keizerschap was hij dikwijls bezig met studeren en lezen, waarbij geschiedenis en literatuur vooral zijn aandacht trokken. De intriges binnen de keizerlijke familie hebben hem nooit geïnteresseerd. Toch is hij de enige die nog de dynastie van Augustus kan voortzetten. Claudius loopt er zelf ook niet bepaald warm voor, maar van een keuze is geen sprake. Ondanks zijn doorlopende rivaliteit met de senaat blijkt de keizer zeer geschikt. De geleerde behaalt meerdere militaire successen, waaronder het veroveren van Brittannië. Dit was eerder geprobeerd onder leiding van Julius Caesar, maar Claudius krijgt het ten slotte gedaan. Daarnaast zorgt hij voor een aanzienlijke uitbreiding van de overheidsadministratie. Helaas heeft zijn vrouw en nicht, Agrippina, andere plannen voor Rome. Zij heeft Claudius al overgehaald om haar zoon, Nero, te adopteren. Vervolgens trouwt Nero met de keizerlijke dochter en voor Agrippina doet de ultieme kans zich voor om de macht te grijpen. In het jaar 54 wordt Claudius vergiftigd en opgevolgd door zijn zestienjarige adoptiefzoon.

Nero begint zijn keizerschap zeer voorspoedig, onder toeziend oog van zijn moeder. Als eerste ruimt hij moeiteloos de zoon van Claudius, Britannicus, uit de weg. Niet veel later zou Agrippina toch de grip op haar zoon verliezen en is ze niet meer welkom in het keizerlijke paleis. Vijf jaar na de vergiftiging van Claudius wordt ook zij vermoord, in opdracht van haar eigen zoon. Nadien gaat het bergafwaarts met het beleid van de keizer. Hij heeft geen interesse in het besturen van het Romeinse Rijk en houdt zich vooral bezig met theater en muziek. Als er een enorme stadsbrand uitbreekt, maakt hij rijkelijk gebruik van de vrijgekomen ruimte en laat hij een paleis bouwen van 80 hectare. Vier jaar later komt het volk in opstand tegen het corrupte Rome en Nero raakt in paniek. Hij wordt afgezet door de senaat; probeert tevergeefs te vluchten; steekt een dolk in zijn keel. In het jaar 68 is de keizerlijke tirannie van Nero voorbij en de senaat past wederom een ”memoriam damnare” toe. Het laatste uur van de keizerlijke dynastie heeft geslagen.

„Welk een kunstenaar sterft er met mij” – Nero

Borstbeeld van keizer Nero

Seneca’s carrière

Nu weet u hoe de wereld rondom Seneca eruitzag en wat zijn filosofische ambitie inhield. Daarmee zou ik dit artikel kunnen afronden. Toch beschrijft de geschiedenis van de filosoof niet een man die braaf thuis aan het mediteren was. Seneca maakte meer politieke bokkensprongen dan menig Romeins keizer. Korte tijd was hij zelfs de machtigste man het Romeinse Keizerrijk. Daarom is het van belang om de politieke carrière van Seneca toe te lichten, zodat er genoeg inzicht is om een oordeel te vellen over de hypocrisie van de ‘wijze’ Seneca.

Nadat hij enkele jaren in Egypte doorbracht vanwege zijn gezonden, begint Seneca zijn politieke carrière bij terugkeer in Rome. De filosoof blijkt een kundig advocaat en schrijver en wordt al snel beroemd onder keizer Caligula. De keizer wordt naar verluid jaloers op Seneca en wil hem op Romeinse wijze uit de weg laten ruimen. Toch wordt hij met rust gelaten, omdat de keizer verwacht dat de tere gezondheid van Seneca hem spoedig fataal wordt. Na de moord op Caligula raakt hij onder keizer Claudius betrokken bij het keizershuis. Hij bouwt goede contacten op en zijn literaire werken worden steeds populairder.

Zijn verblijf bij de keizerlijke familie wordt echter bruut onderbroken. Seneca wordt vals beschuldigd van een verhouding met de zus van Caligula en de senaat besluit hem te verbannen naar Corsica. Acht jaar later keert hij terug onder genade van keizer Claudius en zijn nieuwe vrouw, Agrippina. Dit besluit heeft niet alleen te maken met barmhartigheid. Agrippina ziet in Seneca een uitstekende leraar voor haar zoon Nero. Daarnaast waren zijn literaire en filosofische werken zeer populair bij het volk. Seneca staat in het krijt bij Agrippina en komt in het complot tegen keizer Claudius terecht.

Vijf jaar lang is Seneca verantwoordelijk voor de keizerlijke voorbereiding van Nero. Na de moord op Claudius wordt Nero de machtigste man van Rome. Door zijn jonge leeftijd besluit Agrippina dat Seneca en Burrus, het hoofd van de keizerlijke lijfwacht, de zestienjarige keizer bijstaan. Dit luidt het begin van de Quinquennium Neronis, een van de welvarendste tijden in de Romeinse geschiedenis. Seneca is nu in praktijk de machtigste man van Rome. Zijn zwager wordt consul, de leider van de senaat, terwijl het omgerekende vermogen van de Stoïcijn geschat wordt tussen de anderhalf en vijftien miljard euro. Daarmee zou hij op nummer één kunnen staan in de Quote 500.

Aan elk sprookje komt een einde en voor de schatrijke filosoof heeft het noodlot geen uitzondering gemaakt. In het jaar 65, als Nero niet meer luistert naar Seneca en Agrippina al uit de weg is geruimd, probeert hij zich tevergeefs terug te trekken uit het keizershuis. De keizer beschuldigt Seneca van deelname aan een samenzwering. Hij wordt door zijn leerling Nero bevolen om zelfmoord te plegen. Tenslotte sterft Seneca een sobere dood in het jaar 65. De filosoof snijdt gedwongen, maar onbewogen zijn polsen door. De trage doorbloeding in zijn lichaam voorkomen echter een snelle dood. Als vergif het einde ook niet brengt, gaat hij in een stomend bad zitten om de doorbloeding te versnellen. Seneca vertelt zijn laatste woorden en neemt in vrede afscheid van de wereld.


De stervende Seneca, geschilderd door Peter Rubens in 1615

De hypocrisie van wijsheid

Nu komt dit schrijven terug bij de vraag: hoe kan een filosoof verkondigen wat hij zelf niet waarmaakt? Seneca schreef zijn hele leven over een eenvoudig leven, het onderdrukken van emoties, het realiseren van geluk. Toch was hij één van de rijkste Romeinen ooit. Zelf legt Seneca deze tegenstelling uit door zichzelf als gewoon mens te duiden. Hij geeft in zijn filosofische werken toe dat hij waarde hecht aan de indifferentia en verre van een wijze is. Hij is zich wel bewust van zijn fouten en schrijft hoe er Stoïcijns geleefd moet worden. Hierdoor meent hij toch wijzer te zijn dan de gewone mens.

Seneca gaat met deze redenering echter tegen de gedachtegang van de Stoa in. Een mens heeft de apatheia, de gemoedsrust, namelijk wel of niet. Een tussenweg is onmogelijk. Seneca beweerde een sobere filosoof te zijn, maar leefde als een flamboyante miljardair. De zelfbenoemde verdediger van de redelijkheid was in praktijk de grootste tegenstander van eenvoud. Hij was zelfs de mentor van de grootste tiran die Rome gekend heeft.

Volgens de strikte regels van de Stoa heeft Seneca dus allesbehalve de gemoedsrust benaderd door zijn uitbundige manier van leven. Toch worden zijn teksten hedendaags nog gelezen door de aanzienlijke wijsheid die deze bevatten. Het lezen van Seneca zal iemand aan het denken zetten, het laat men vragen stellen over de moraliteit van elke keuze in het leven. Dit is onafhankelijk van de levenswijze van de filosoof. Of zou een wijze les van de filosoof meer effect hebben als hij als een zwerver had geleefd? Seneca heeft deze vraag zelf beantwoord:

„Filosofen maken niet in daden waar wat ze verkondigen. Toch maken ze al veel waar door het feit dat ze het verkondigen, dat zij zich een idee vormen over een hoogstaand leven. Want als zij ook nog helemaal in overeenstemming met hun woorden handelden, welk wezen zou dan gelukkiger zijn dan zij?” – Seneca, De vita beata