Over Aristoteles
Het zal u niet verbazen dat een deel van deze site is gewijd aan Aristoteles, de naamgever van ons dispuut, Aristoteles. U kunt hier een korte samenvatting vinden van het leven en de werken van deze man.
Aristoteles werd in het jaar 384 voor Christus in Stagira geboren, een Griekse kolonie en haven aan de kust van Tracië. Zijn vader Nichomachus was natuurkundige aan het hof van Macedonië, een hof dat veel invloed op Aristoteles zou hebben. Op zeventienjarige leeftijd zond Proxenus, zijn voogd hem naar Athene, het intellectuele centrum van de wereld, om zijn opleiding te voltooien. Hij kwam bij de Academie en studeerde onder Plato, wiens lessen hij twintig jaar zou volgen. In de latere jaren van zijn studie gaf hij ook zelf les, in het bijzonder over de retorica. Na de dood van Plato leek Aristoteles voorbestemd om hem op te volgen, maar de verschillen met de leer van Plato waren te groot om dit mogelijk te maken.
In het jaar 343 nam hij aan het Macedonische hof de opvoeding op zich van de jonge Alexander de Grote. Toen Alexander zijn vader opvolgde was Aristoteles’ taak voltooid en keerde hij terug naar Athene, waar hij sinds de dood van Plato niet meer geweest was. De school van Plato bloeide onder leiding van Xenocrates en het Platonisme was de dominante filosofische stroming in Athene.
Aristoteles stichtte zijn eigen school op een plaats genaamd het Lyceum. Hij had de gewoonte zijn onderwijs aan het Lyceum lopende te geven, de reden waarom dit ook wel de Peripatetische (d.i. wandelende) school genoemd werd. De volgende dertien jaar stak hij zijn energie in zijn onderwijs en het schrijven van filosofische verhandelingen. Er wordt gezegd dat hij twee soorten lessen gaf, ‘s morgens de meer gedetailleerde discussies voor een besloten groep van gevorderde studenten en ‘s avonds populaire colleges voor belangstellenden. Door de plotselinge dood van Alexander de Grote in 323 voor Christus, werd de pro- Macedonische regering in Athene afgezet en ontstond er een negatieve houding tegen alles wat met Macedonië te maken had. Aristoteles werd van godslastering beschuldigd en vluchtte naar Euboea, waar hij in het jaar 322 stierf.
Er is slechts weinig over van de werken van Aristoteles. Het grootste deel van het materiaal dat er is zijn kladversies van voordrachten, bijgehouden door Theophrastus, die Aristoteles opvolgde als leider van de Peripatetische school. Nadat ze lange tijd kwijt waren werden ze in 86 voor Christus teruggevonden en voor Romeinse studenten opnieuw uitgegeven. Deze collectie is de basis voor de werken van Aristoteles die vandaag bekend zijn. De werken van Aristoteles vallen onder drie hoofden:
- Dialogen en andere werken met een populair karakter
- Verzamelingen van feiten en materialen voor wetenschappelijke behandeling
- Systematische werken.
Onder de populaire werken valt bijvoorbeeld een behandeling “Over de Politiek van de Atheners”. De tweede groep bevat zo’n tweehonderd titels, de meeste slechts fragmenten, die verzameld zijn door Aristoteles’ school en gebruikt werden voor onderwijs. De systematische verhandelingen van de derde groep kunnen in een aantal divisies verdeeld worden:
- Logica. Hieronder vallen onder andere werken over de classificatie van onderwerpen, proposities en syllogie.
- Fysische werken, over beweging, tijd, verandering en over de structuur van de hemel, aarde en de elementen.
- Psychologische werken, over de geest, het geheugen, dromen, etc.
- Biologie. Over de geschiedenis, de anatomie, de beweging en de voortplanting van dieren.
- Filosofische werken, over metafysica, ethiek, moraal, politiek, poëzie en retorica.
De redacteuren van Aristoteles’ werken gaven deze naam aan werken over de “eerste filosofie”, de filosofie die ging over de verschijnselen van het eerste, de zaken waarover men met de gewone fysica geen onderzoek kon doen.
Volgens Aristoteles is er een kleine groep universele waarheden. De centrale vraag in zijn wetenschap van het zijn, is: wat is de echte, of ware werkelijkheid? Om zijn ideeën te begrijpen moeten we eerst Plato’s voorstelling bekijken.
Volgens Plato “stroomt” alles wat we in de natuur kunnen aanraken en voelen. Er bestaan dus geen onvergankelijke “basisstoffen”. Absoluut alles wat tot de “zintuiglijke wereld” behoort, is gemaakt van een materiaal dat door de tijd wordt aangevreten. Maar ook is alles gevormd volgens een tijdloze “vorm”, die eeuwig en onveranderlijk is. Achter de zintuiglijke werkelijkheid moet dus een eigen werkelijkheid bestaan, die hij de “ideeënwereld” noemde. Daarin zitten de eeuwige en onveranderlijke “modellen” van alle fenomenen die we in de natuur tegenkomen. Wat we met onze zintuigen waarnemen zijn dus slechts “schaduwen” van de eeuwige vormen of ideeën, waarvan we alleen met het verstand zekerheid kunnen krijgen.
Aristoteles vindt dat Plato alles omdraait: de eigenlijke idee, of vorm, bestaat niet, maar ontstaat pas nadat we de eigenschappen enkele malen hebben waargenomen. De hoogste graad van werkelijkheid is dus niet wat we met het verstand denken, maar wat we met onze zintuigen waarnemen. Alle gedachten en ideeën zijn ons bewustzijn binnengekomen toen we ze waarnamen, bij de geboorte is ons verstand helemaal leeg.
De werkelijkheid bestaat volgens Aristoteles uit verschillende, afzonderlijke dingen, die een eenheid van vorm en materie zijn. De materie is het materiaal waarvan een ding gemaakt is, terwijl de vorm uit de specifieke eigenschappen van het ding bestaat. Materie heeft de mogelijkheid om een bepaalde vorm te bereiken. Bij iedere verandering in de natuur gaat materie over van “mogelijkheid” in “werkelijkheid”. Hierbij horen volgens Aristoteles altijd vier soorten oorzaken:
- materiële oorzaak
- de “efficience”, de bewerkende oorzaak
- de vormoorzaak, het idee dat ergens aan ten grondslag ligt
- de doeloorzaak
Aristoteles heeft baanbrekend werk verzet op het gebied van de logica. Zijn geschriften over het onderwerp logica werden later door Peripatetiërs geordend onder de naam “Organon”, instrument. Vanuit hun perspectief was logica en redeneren het belangrijkste instrument voor wetenschappelijk onderzoek. Aristoteles zelf gebruikt daarentegen de term “logica” als equivalent aan verbaal redeneren. Het hart van Aristoteles’ logisch systeem wordt gevormd door het syllogisme. Tegenwoordig definiëren we het syllogisme als “een bepaald soort van redenering die drie categorische proposities bevat, twee ervan premissen en een conclusie. Het klassieke voorbeeld hiervan is: Alle mensen zijn sterfelijk; Socrates is een mens; dus Socrates is sterfelijk. Aristoteles was de eerste die een logisch systeem creëerde waarin subjecten en premissen door variabelen konden worden weergeven. Bovenstaand voorbeeld kunnen we dus ook met letters weergeven:
Als A een predicaat (eigenschap) is van alle B en B een predicaat is van alle C, dan is A een predicaat van alle C.
Met predicaat bedoelt Aristoteles dat A bij B behoort, of alle B’s zijn A’s, dus in het voorbeeld:
Alle mensen (B) zijn sterfelijk (A), en Socrates (C) is een mens (B), dus Socrates (C) is sterfelijk (A).
Deze variabelen maken het dus mogelijk om de syllogismen compact uit te drukken, bijvoorbeeld:
Aab Abc Aab Ebc Iab Abc Iab Ebc
Aac Eac Iac Oac
Enige toelichting over de manier waarop dit gelezen moet worden:
A betekent Alle, dus Abc betekent Alle c’s zijn b’s, of b behoort tot alle c. E betekent Geen, dus Ebc wordt gelezen als geen c’s zijn b’s, of b behoort tot geen c. I betekent enkele, O betekent niet alle. In moderne logica wordt A de universele bevestigende genoemd, E, de universeel ontkennende, I de particulier bevestigende en O de particulier ontkennende. De syllogismen worden van links naar rechts, van boven naar beneden gelezen. Dus de eerste wordt gelezen als: als alle b’s a’s zijn, en alle c’s b’s zijn, dan zijn alle c’s a, het zelfde als het voorbeeld van de sterfelijkheid van Socrates.
Aristoteles onderscheidt twee soorten syllogismen, de perfecte en de niet perfecte. Een syllogisme is perfect, als niets meer nodig is dan hetgeen gesteld is om te bewijzen wat er noodzakelijk uit volgt. Voor niet perfecte gevallen introduceerde hij enkele regels voor conversie:
- Van Eab naar Eba
- Van Aba naar Iab
- Van Iba naar Iab
In het niet perfecte syllogisme Enm, Aom, dus Eon kan Enm geconverteerd worden naar Emn, zodat dit het perfecte Emn, Aom, dus Eon wordt.
Aristoteles ziet het universum als een schaal tussen twee extremen, vorm zonder materie aan de ene kant en materie zonder vorm aan de andere kant. De overgang van materie naar vorm, de beweging naar een einde, of doel, wordt in zijn verschillende stadia zichtbaar in de natuur. Beweging is dus de overgang van materie naar vorm. Er zijn vier soorten beweging:
- beweging die invloed heeft op de werkelijkheid/verschijningsvorm van een ding
- beweging die een verandering in de kwaliteit bewerkstelligt
- beweging die een verandering in de kwantiteit bewerkstelligt
- beweging die zorgt voor een plaatsverandering.
Aristoteles definieert “ruimte” als de grens van het omgevende lichaam ten opzichte van wat wordt omgeven. “Tijd” definieert hij als de meting van beweging met betrekking tot wat eerder of later was. Tijd hangt dus voor zijn bestaan af van beweging, als er niets veranderde in het universum, zou er geen tijd zijn. Omdat tijd het meten van beweging is, is voor het bestaan van tijd ook een tellend verstand nodig.
Ook introduceert Aristoteles de “schaal” van het “zijnde”, een opbouw in de natuur, die een waarde-schaal is. Onderaan staan de levenloze dingen, daarboven de levende. Deze zijn weer in te delen in gewassen en wezens, welke weer zijn op te delen in dieren en mensen. Naarmate iets hoger op de schaal staat is het onderliggende principe, de vorm, geavanceerder.
Leven
Aristoteles werd in het jaar 384 voor Christus in Stagira geboren, een Griekse kolonie en haven aan de kust van Tracië. Zijn vader Nichomachus was natuurkundige aan het hof van Macedonië, een hof dat veel invloed op Aristoteles zou hebben. Op zeventienjarige leeftijd zond Proxenus, zijn voogd hem naar Athene, het intellectuele centrum van de wereld, om zijn opleiding te voltooien. Hij kwam bij de Academie en studeerde onder Plato, wiens lessen hij twintig jaar zou volgen. In de latere jaren van zijn studie gaf hij ook zelf les, in het bijzonder over de retorica. Na de dood van Plato leek Aristoteles voorbestemd om hem op te volgen, maar de verschillen met de leer van Plato waren te groot om dit mogelijk te maken.
In het jaar 343 nam hij aan het Macedonische hof de opvoeding op zich van de jonge Alexander de Grote. Toen Alexander zijn vader opvolgde was Aristoteles’ taak voltooid en keerde hij terug naar Athene, waar hij sinds de dood van Plato niet meer geweest was. De school van Plato bloeide onder leiding van Xenocrates en het Platonisme was de dominante filosofische stroming in Athene.
Aristoteles stichtte zijn eigen school op een plaats genaamd het Lyceum. Hij had de gewoonte zijn onderwijs aan het Lyceum lopende te geven, de reden waarom dit ook wel de Peripatetische (d.i. wandelende) school genoemd werd. De volgende dertien jaar stak hij zijn energie in zijn onderwijs en het schrijven van filosofische verhandelingen. Er wordt gezegd dat hij twee soorten lessen gaf, ‘s morgens de meer gedetailleerde discussies voor een besloten groep van gevorderde studenten en ‘s avonds populaire colleges voor belangstellenden. Door de plotselinge dood van Alexander de Grote in 323 voor Christus, werd de pro- Macedonische regering in Athene afgezet en ontstond er een negatieve houding tegen alles wat met Macedonië te maken had. Aristoteles werd van godslastering beschuldigd en vluchtte naar Euboea, waar hij in het jaar 322 stierf.
Werken
Er is slechts weinig over van de werken van Aristoteles. Het grootste deel van het materiaal dat er is zijn kladversies van voordrachten, bijgehouden door Theophrastus, die Aristoteles opvolgde als leider van de Peripatetische school. Nadat ze lange tijd kwijt waren werden ze in 86 voor Christus teruggevonden en voor Romeinse studenten opnieuw uitgegeven. Deze collectie is de basis voor de werken van Aristoteles die vandaag bekend zijn. De werken van Aristoteles vallen onder drie hoofden:
- Dialogen en andere werken met een populair karakter
- Verzamelingen van feiten en materialen voor wetenschappelijke behandeling
- Systematische werken.
Onder de populaire werken valt bijvoorbeeld een behandeling “Over de Politiek van de Atheners”. De tweede groep bevat zo’n tweehonderd titels, de meeste slechts fragmenten, die verzameld zijn door Aristoteles’ school en gebruikt werden voor onderwijs. De systematische verhandelingen van de derde groep kunnen in een aantal divisies verdeeld worden:
- Logica. Hieronder vallen onder andere werken over de classificatie van onderwerpen, proposities en syllogie.
- Fysische werken, over beweging, tijd, verandering en over de structuur van de hemel, aarde en de elementen.
- Psychologische werken, over de geest, het geheugen, dromen, etc.
- Biologie. Over de geschiedenis, de anatomie, de beweging en de voortplanting van dieren.
- Filosofische werken, over metafysica, ethiek, moraal, politiek, poëzie en retorica.
Metafysica
De redacteuren van Aristoteles’ werken gaven deze naam aan werken over de “eerste filosofie”, de filosofie die ging over de verschijnselen van het eerste, de zaken waarover men met de gewone fysica geen onderzoek kon doen.
Volgens Aristoteles is er een kleine groep universele waarheden. De centrale vraag in zijn wetenschap van het zijn, is: wat is de echte, of ware werkelijkheid? Om zijn ideeën te begrijpen moeten we eerst Plato’s voorstelling bekijken.
Volgens Plato “stroomt” alles wat we in de natuur kunnen aanraken en voelen. Er bestaan dus geen onvergankelijke “basisstoffen”. Absoluut alles wat tot de “zintuiglijke wereld” behoort, is gemaakt van een materiaal dat door de tijd wordt aangevreten. Maar ook is alles gevormd volgens een tijdloze “vorm”, die eeuwig en onveranderlijk is. Achter de zintuiglijke werkelijkheid moet dus een eigen werkelijkheid bestaan, die hij de “ideeënwereld” noemde. Daarin zitten de eeuwige en onveranderlijke “modellen” van alle fenomenen die we in de natuur tegenkomen. Wat we met onze zintuigen waarnemen zijn dus slechts “schaduwen” van de eeuwige vormen of ideeën, waarvan we alleen met het verstand zekerheid kunnen krijgen.
Aristoteles vindt dat Plato alles omdraait: de eigenlijke idee, of vorm, bestaat niet, maar ontstaat pas nadat we de eigenschappen enkele malen hebben waargenomen. De hoogste graad van werkelijkheid is dus niet wat we met het verstand denken, maar wat we met onze zintuigen waarnemen. Alle gedachten en ideeën zijn ons bewustzijn binnengekomen toen we ze waarnamen, bij de geboorte is ons verstand helemaal leeg.
De werkelijkheid bestaat volgens Aristoteles uit verschillende, afzonderlijke dingen, die een eenheid van vorm en materie zijn. De materie is het materiaal waarvan een ding gemaakt is, terwijl de vorm uit de specifieke eigenschappen van het ding bestaat. Materie heeft de mogelijkheid om een bepaalde vorm te bereiken. Bij iedere verandering in de natuur gaat materie over van “mogelijkheid” in “werkelijkheid”. Hierbij horen volgens Aristoteles altijd vier soorten oorzaken:
- materiële oorzaak
- de “efficience”, de bewerkende oorzaak
- de vormoorzaak, het idee dat ergens aan ten grondslag ligt
- de doeloorzaak